De Keltische en Germaanse religies maken gebruik van openlucht cultusplaatsen. Romeinen hebben gesloten heiligdommen, de tempels. De Gallo-Romeinse tempel verenigt de openlucht cultusplaats met een overdekt heiligdom door op een open tempelterrein een altaar en een tempelhuis te bouwen.
Gallo-Romeinse tempels komen alleen voor in heel Gallië. In het noordelijke gebied is dat grofweg tussen het begin van de eerste eeuw voor het begin van de jaartelling (BCE) en halverwege de derde eeuw (CE). Hierbij verspreiden de heiligdommen zich in tijd vanuit het zuiden naar het noorden. Kenmerkend voor Gallië is dat naast elkaar in grotere steden de puur Romeinse tempels staan en in ‘buitengebieden’ de openlucht cultusplaatsen in gebruik zijn. De Limes en grote Romeinse wegen, de heirbanen, zorgen voor verspreiding van de mengvorm: Gallo-Romeinse tempels.
Er is een ontwikkeling van de Gallische openluchtcultus naar een Romeins gesloten gebouw, de cella, op een omheind terrein. Naast de Gallo-Romeinse tempels blijven openlucht heiligdommen echter in gebruik. Een voorbeeld uit de klassieke literatuur is een bijeenkomst van Bataven in een ‘heilig woud’ voorafgaand aan de Bataafse Opstand in 69.
De ontwikkeling gaat hand-in-hand met voortschrijdende romanisering van de lokale bevolking en met de komst, vooral langs de Limes, van Romeinse legerplaatsen. Een complicatie hierbij is, dat in het leger de Mithrascultus veel voorkomt. Deze cultus maakt gebruik van een ander soort, zeer herkenbaar, heiligdom.
Voor de bouw van een tempel is er vaak al een cultusplaats. Dit is een met een gracht en palissade omheind terrein met een of meer open offerplaatsen of -kuilen. De ingang is een onderbreking in de palissade.
De volgende stap is een grotere duidelijke doorgang door de palissade en een klein vierkant gebouw, een cella, gebouwd in de hout-leem techniek. Een tussenstap is een open of deels open overkapping.
Nadat Julius Caesar de provincie Gallia Belgica heeft ingericht, wordt de cella meer herkenbaar als mengvorm met Romeinse tempelbouw. Het tempelhuis krijgt aan drie zijden een lage open ombouw. De overkapping van de lage ombouw rust op palen. Mogelijk worden deze tempelgebouwen deels in steen opgetrokken en deels in hout-leem.
De laatste ontwikkeling is die van een tempelterrein met aan een zijde het altaar en een cella met een porticus bereikbaar via een trap. Het altaar staat op het tempelterrein voor de trap naar de cella, hier worden de offers gebracht. Deze Gallo-Romeinse tempelhuizen worden meestal in steen gebouwd. Langs de Limes zijn de tempels van Elst de bekendste voorbeelden. Een van deze tempels is in Museumpark Archeon gereconstrueerd.
Op een tempelterrein kunnen verschillende kleinere gebouwen staan, bijvoorbeeld voor priesters, maar er zijn in Elst ook ovens gevonden en een waterput. Mogelijk zijn deze bestemd voor bereiden van offers. Een bekend offer is libum, een offerbrood. Een andere Gallo-Romeinse tempel stond in Empel.
De datering van de Gallo-Romeinse tempels in Germania Inferior in het algemeen is eerste eeuw of later. De vroegste Gallo-Romeinse varianten langs de Limes en in het Bataafse gebied vallen allemaal in de tweede helft van de eerste eeuw. Elst Grote Kerk wordt gedateerd tussen 50 en 70 op basis van de voor de bouw gebruikte steensoort. Empel wordt gedateerd in de Flavische periode (keizers tussen 69 en 96 CE). Elst-Westeraam wordt gedateerd in de late eerste eeuw en een nieuwere fase halverwege de tweede eeuw.
Foto boven: zicht vanaf de ingang van het tempelterrein op het tempelhuis van de reconstructie van de Gallo-Romeinse tempel van Elst in Museumpark Archeon
Foto onder: zicht op het tempelhuis met ervoor het altaar van de reconstructie van de Gallo-Romeinse tempel van Elst in Museumpark Archeon

Romeins Alphen is een initiatief van Minerva TXT producties / Eveline
Verhoeve
Copyright © teksten en foto's Eveline Verhoeve
Contact:
MinervaTXTproducties@ziggo.nl