In de hele gemeente Alphen aan den Rijn zijn Romeinse militaire steunpunten opgegraven, deze zijn bemand tussen het jaar 40 en ongeveer 235. Twee ervan zijn castella: Albaniana en Nigrum Pullum. De bewoners zijn auxiliari oftewel hulptroepen. Het zijn géén legionairs. Maar: wat zijn de verschillen en kun je dat wel zomaar zien?
Het Romeinse leger is niet zo groot als je zou denken aan de hand van de omvang van het Romeinse Rijk. Dat ligt rond het hele Middellandse Zeegebied, van de Noord-Afrikaanse kust via het Midden-Oosten en de Balkan dwars door Europa. En, dan is er het eiland Britannia. Een groot deel van het leger is te vinden in de grensgebieden. Zo is er bijvoorbeeld het Rijnleger dat uit verschillende legioenen bestaat. Legioenen verblijven in een castrum, een grote legerplaats. Dit is de uitvalsbasis van een legioen en zo beheerst het legioen een grote regio.
In het uiterste noordwesten, in onze regio, is Germania Inferior oftewel Nedergermanië het grensgebied langs de rivier de Rijn. Hier langs de grens met de Frisii zijn geen legioenen. De castella langs de rivier worden bemand door auxiliari. Dit zijn soldaten die zijn geronseld bij bevriende stammen, meestal compleet met leidinggevenden uit hun eigen aristocratie. In het Alphense castellum Albaniana en ook in het Woerdense castellum Laurium zitten auxiliari uit het stroomgebied van de Sava, een zijrivier van de Donau. Het zijn Breuci, hun derde cohort zit in Laurium en hun zesde cohort in Albaniana.
Een legioen is een grote legereenheid infanterie onder leiding van een legaat. In de legioenen dienen mannen met Romeins burgerrecht. Elk legioen heeft een eigen unieke naam, een eigen unieke vlag en als allerbelangrijkste een eigen adelaar. Een legioen is in principe verdeeld in vijftig centuries. Elke centurie bestaat uit ongeveer tachtig soldaten plus een kleine staf met aan het hoofd een centurio. Zes centuries vormen een cohort. Een cohort is daarom een Romeinse legereenheid van zo’n vijfhonderd militairen. De leidinggevende van het eerste, belangrijkste en grotere cohort is de Primus Pilus, dit betekent letterlijk ‘eerste speer’.
Aan legioenen zijn ook ondersteunende troepen verbonden. Het gaat vaak om andere legereenheden, zoals genie, artillerie en verkenners. Ook de cavalerie hoort hierbij en bijvoorbeeld onderhoudstroepen. Daarom is het totaal aan manschappen dat bij een legioen hoort aanzienlijk meer dan de vijfduizend infanteristen, in totaal gaat het vaak om bijna tienduizend militairen.
Een cohort auxiliari is ongeveer even groot als een cohort in een legioen. Ook dit cohort is verdeeld in centuries en elke centurio heeft een kleine staf met (onder)officieren. Maar daar houdt de gelijkenis op. Zeker als het gaat om de cohorten die de castella bemannen in de noordwestelijke Nedergermaanse grensstreek. Deze auxiliari staan er voor een groot deel alleen voor, zeker in de beginjaren langs de Rijngrens. Binnen dit cohort moeten ook dezelfde functies worden uitgeoefend als in een legioen dat minstens tien keer zo groot is.
De cohorten auxiliari worden geleverd door overwonnen en bevriende stammen met aan het hoofd een eigen aristocraat. Deze leidinggevende heet prefect cohortus. Elk cohort heeft een eigen unieke cohortstandaard. Er is geen adelaar en er is geen legioensvlag, maar er is wel een cohortvlag. Een cohort auxiliari beheerst de wijde omgeving.
De auxiliari hebben een Romeinse basistraining gekregen. Net als andere rekruten. Lang is door wetenschappers gedacht dat de auxiliari hun eigen lokale kleding en wapens gebruiken. Maar uit de opgravingsresultaten van het Alphense castellum blijkt dat dit in ieder geval hier niet het geval is én dat er vrijwel uitsluitend een platenharnas wordt gedragen.
Net als de Romeinse legionairs, dragen de Romeinse auxiliari in Albaniana een metalen harnas, een helm en een aantal wapens. Veel legionairs dragen in de Romeinse keizertijd een lorica hamata, een Romeins maliënkolder van metalen ringetjes. Soms dragen zij een lorica squamata. Dit is een harnas waarbij kleine metalen plaatjes, als een soort schubben, op een ondergrond van textiel zijn genaaid.
In Albaniana is dat anders. Hier dragen vrijwel alle militairen een lorica segmentata. Dit is een platenharnas. De wapens zijn het schild, een zwaard, een dolk, een speer en soms een slinger. De gebruikelijke Romeinse speer is een pilum, een houten werpspeer met een lange dunne metalen schacht met daarop een kleine metalen punt. De auxiliari in Albaniana hebben deze ook. Maar, in het Alphense grensfort zijn daarnaast relatief veel speren gevonden van een ander type: de hasta. Een hasta is dan al ouderwets in het Romeinse leger. Deze geheel houten speren zijn robuuster dan de pilum en hebben een grote metalen speerpunt.
Dat in het Alphense castellum geen legionairs gelegerd waren, werd tijdens de opgravingen in het Alphense stadshart snel duidelijk. Het is namelijk onder de soldaten een goede Romeinse gewoonte om hun uitrusting, zoals een helm of een bord, van hun naam te voorzien. Uit de namen in Albaniana is al snel duidelijk dat de soldaten uit het Donaugebied komen.
Ook wordt in bakstenen en dakpannen vaak de naam van de eenheid gestempeld waarvoor dit bouwmateriaal bestemd is. Daarom zijn er stempels van Cohors VI Breuci gevonden. Vermoed wordt dat een deel van dit materiaal door de Breuci zelf is gemaakt in een eigen kleine steenbakkerij. Er zijn ook veel stempels met de naam van de eenheid die het bouwmateriaal verzorgt, dit zijn legioenen die meer in het binnenland van Germania Inferior dienen. Een voorbeeld is Legio X Gemina uit Nijmegen. Een ander voorbeeld is Exercitus Germanicus Inferior, een verzamelnaam voor alle legereenheden in het Nedergermaanse gebied.
Een cohort auxiliari wordt gerekruteerd als een soort ‘belasting’ aan het Romeinse Rijk. Een overwonnen of bevriende stam tekent een verdrag waarbij de Romeinen een rechtsstaat en bescherming bieden en de stam een bepaald aantal cohorten levert.
Deze troepen worden vaak in het grensgebied gestationeerd. Zij worden, zeker sinds de Bataafse Opstand in 69-70 en misschien wel eerder, niet meer in hun eigen omgeving ingezet. De auxiliari in Alphen aan den Rijn zijn van de stam van de Breuci, zij komen uit het Donaugebied. Van de Breuci weten we dat zij acht cohorten leveren, waarvan er drie in Germania Inferior (Nedergermanië) dienen.
Dit artikel is eerder op de nieuwssite van Studio Alphen verschenen
Foto boven: Auxiliari bij de reconstructie van de eerste Romeinse poort van Albaniana in Museumpark Archeon
Foto onder: Legionairs op de opgravingslocatie van de eerste Romeinse poort van Albaniana in het Alphense stadshart op de kruising Rijnplein, Castellumstraat en Julianastraat

Romeins Alphen is een initiatief van Minerva TXT producties / Eveline
Verhoeve
Copyright © teksten en foto's Eveline Verhoeve
Contact:
MinervaTXTproducties@ziggo.nl