“Het terrein is er woest. Het klimaat ruw. Het leven en landschap somber.”

Welkom in Romeins Albaniana!

Het terrein is woest

Het terrein is woest

11 november 2021

Tacitus beschrijft het landschap in de Romeinse delta van de rivier de Rijn als ‘woest’ en hij heeft geen ongelijk. De hoofdstroom van de westelijke rivierdelta is ingeklemd tussen grote veengebieden. Direct langs de rivier zijn bewoonbare oeverwallen met daarachter een vruchtbare riviervlakte, moerassige veenbossen en rietvelden. Daarna zijn er alleen maar enorme hoge veengebieden.

Direct langs de Oude Rijn, de hoofdstroom in de Rijndelta, en de veenrivieren liggen oeverwallen. Deze ontstaan vanaf de laatste ijstijd, die ongeveer 11.000 jaar geleden eindigde. Het zijn de oeverwallen die worden bewoond. De grond ligt hoger en is daarmee veiliger en de grond is bovendien vruchtbaar.

Als een rivier overstroomd zal het water eerst een laagje zand achterlaten. In de loop van de tijd worden hiermee natuurlijke dijken gevormd, de oeverwallen. Achter de oeverwallen laat het water een laagje klei achter. Zand bezinkt namelijk eerder dan klei.

In het westelijk deel van de Rijndelta wordt onder invloed van de zee meer klei achtergelaten dan in het oostelijk deel.

Riviervlakte

De riviervlakte ligt achter de oeverwallen en dus ietsje verder van de rivier af, de vlakte overstroomt wel regelmatig en er wordt klei afgezet. Hier is uitermate vruchtbare grond.

In de westelijke delta is het een smalle strook met weinig mogelijkheden voor grootschalige landbouw. Er zijn wel al sinds de vroege bronstijd sporen van bewoning in zelfvoorzienende boerderijen in de hele corridor tussen het hoger gelegen binnenland en het kustgebied.

Veenbossen en rietvelden

Tussen de riviervlakte en het veengebied ligt een strook met bomen, struiken en planten van enkele kilometers breed. Hier zijn moerassige veenbossen met veel waterlopen: kleinere rivieren, beken en kreken. Dit waternetwerk is het afwateringssysteem van het veengebied op de grote rivier de Rijn.

Tussen de veenbossen en het veengebied ligt een smalle strook met riet- en zeggevelden. De strook is op de zuidelijke oever van de Rijn breder dan die op de noordelijke oever.

Veen

Aan beide zijden van de Rijn beginnen na de rietvelden uitgestrekte veengebieden. Deze veengebieden zijn ontstaan door de stijging van de zee na de laatste ijstijd. Door deze stijging ontstaan strandwallen langs de kust, op eenzelfde manier als oeverwallen langs de rivier.

Het land wordt door het ontstaan van de strandwallen afgesloten van de zee. Achter de strandwallen liggen kreken en lagunes. Er is hier steeds minder invloed van de getijden en het water wordt zoeter door de aanvoer van rivierwater en door regenwater.

Op deze natte gronden ontstaan uitgestrekte moerasbossen. Uit de resten van verschillende planten, onder meer veenmos, riet en ook bomen, ontstaat vervolgens het donkerbruine tot zwarte veen.

Veenkussens

In het westen van de Rijndelta is het vooral watervasthoudend veenmos, sphagnum, dat een belangrijke rol speelt. Sphagnum is een kleine plant met blad dat varieert van bleekgroen via geelbruin tot roodachtig. Dit veenmos groeit in grote  kussens en hoge bulten in een natte omgeving, maar boven het waterniveau. Het sphagnum vormt kussens van enkele meters hoog.