Wat het woord ‘cananefaat’ betekent, weten we niet. Dit komt omdat er verschillende interpretaties zijn. De belangrijkste zijn een moderne vertaling voor Cananefaten naar ‘bootmeesters’ of naar ‘lookmeesters’. Het woord bootmeester is een oudere interpretatie die tegenwoordig weer meer aandacht krijgt.
De uitdaging bij de vertaling van de naam Cananefaten is vooral dat het om een Romeinse naamgeving gaat. Lookmeester lijkt een logische vertaling, omdat look een veel geteeld landbouwproduct is. Look is echter door de Romeinen verspreid en geïntroduceerd, omdat prei, ui en knoflook voor hen populaire groenten zijn. Dat Cananefaten lookmeesters betekent is een aanname.
Bootmeester is mogelijk een betere vertaling. Bootmeesters beheersen vaarwegen en varen is de belangrijkste vorm van vervoer in de IJzertijd en in de Romeinse periode. Voor navigatie in het gebied tussen Rijn en Elbe gebruikt het Romeinse leger zeker loodsen. Dit zijn bevriende Frisii, zij zijn dan de bootmeesters. Aangezien de Cananefaten rond het midden van de eerste eeuw (met boten) uit het noorden komen, is hier een tweede duidelijk verband te leggen.
De term lookmeester heeft te maken met het telen van verschillende soorten look: uien, prei en knoflook. Deze groenten zijn door de Romeinen in Europa verspreid. Vooral prei is een populaire groente en deze werd ook door de volop Romeinen gekweekt.
In de Canon van Nederland (herijkt 2020) is te lezen dat de Romeinse overheersers de lokale bevolking in het westen de naam Cananefaten gaven en dat dit lookmeesters betekent. Deze uitleg is gekoppeld aan een intensievere landbouw, die overigens ontstaat ná de komst van de Romeinen.
Een oudere, en tevens nieuwere, interpretatie is de term bootmeesters. Günter Neumann (2013) legt uit dat Cananefates een latinisering is van het Oudgermaanse Kananēfaþīz. Kananē is het meervoud van kanō. Kanō betekent inderdaad gewoon kano: een uitgehold stuk hout (boomstam) en dus een boot.
Bootmeester kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. De ene gaat uit van het gebruik van lichte boten, kano’s, die in het binnenland door de lokale bevolking gebruikt worden voor vervoer en langs de kust voor piraterij. Een ander idee is dat een bootmeester een loods is. In het gebied boven de Rijn, rond het Flevo Lacus en het grotere Waddengebied, is het lastig navigeren door het Romeinse leger. Zij maken veel gebruik van gidsen (loodsen) die hen hierbij helpen. Het gaat daarbij over het algemeen om Frisii, een bevriend volk, en mogelijk Chauken.
Er is vrijwel geen bewoning in het huidige Zuid-Holland tussen de late IJzertijd en de vroege Romeinse periode (De Bruin 2017). Dit betekent dat de lokale boeren, vooral in het zuiden en westen, halverwege de eerste eeuw immigranten zijn die in boten arriveren. Deze ‘Cananefates’ worden in de tweede en derde eeuw vermeld op een aantal inscripties waarvan de meeste elders zijn gevonden. De overeenkomst is dat de inscripties een militaire context hebben.
Er zijn twee bekende historische bronnen: Paterculus en Tacitus. Velleius Paterculus vermeldt onderwerping van Cananefates door keizer Tiberius in het noordwesten van Germania aan het begin van de eerste eeuw. Dit is de enige vermelding. Paterculus is veldheer en historicus, werkzaam voor Tiberius.
Tacitus vermeldt een Ala Canninefas in het jaar 28 als actief ten noorden van de Rijn. Dit is eveneens de enige vermelding over deze afdeling ruiterij. In een tweede vermelding worden Cananefates als onderdeel van Bataafse cohorten genoemd tijdens de Bataafse Opstand (69-70). Tacitus is een niet-contemporaine historicus die zijn grote werken aan het begin van de tweede eeuw, tussen 110 en 120, publiceert.
De overeenkomst tussen deze historici is dat het in beide gevallen over ‘tussen neus en lippen door’ gemaakte opmerkingen gaat met als locatie het noordwesten van het latere Romeinse Rijk.
De interessante archeologische bronnen zijn bij elke opgraving keramiek en scherven van keramiek. Dit is omdat aardewerk goed in de grond bewaard blijft en er een goed classificatiesysteem bestaat. Dit betekent dat keramiek herkenbaar is en gedateerd kan worden.
Bij verschillende opgravingen in Zuid-Holland is lokaal aardewerk gevonden. Over het algemeen gaat het om een zeer gering percentage aangetroffen lokaal handgemaakt tussen Romeins gedraaid keramiek, dat vaak afkomstig is uit het midden en zuiden van Gallië. De lokale keramiek wordt geclassificeerd onder de term ‘noordelijk’.
Illustratie: scheepstypen op de Rijn waaronder een boomstamkano, dit is de derde boot van boven (de illustratie hoort bij de expositie over Romeinse schepen in de Restauratiewerf Zwammerdam in Museumpark Archeon, tekening door Mikko Kriek)

Romeins Alphen is een initiatief van Minerva TXT producties / Eveline
Verhoeve
Copyright © teksten en foto's Eveline Verhoeve
Contact:
MinervaTXTproducties@ziggo.nl